Recensie: De wiskunde van muziek

Ik was zelf altijd beroerd in wiskunde, ooit, op de middelbare school. En mijn prestaties in aanpalende vakken als natuur- en scheikunde waren eveneens ruimschoots benedengemiddeld, eufemistisch gezegd. Toch heb ik het altijd betreurd, ergens in een zelfoverstijgend hoekje van mijn bewustzijn, dat ik nooit grip heb kunnen krijgen op de getalsmatige abstracties van het universum; ik vermoed dat daar geheimen versluierd zijn gebleven die ik graag had leren kennen. Maar goed, het zij zo. Ik troost me met de gedachte dat je nu eenmaal niet alles kan kunnen.
Een minder clichématige troost vind ik ook in het feit dat muziek veel wis- en natuurkunde bevat. Of eigenlijk vooral natuurkunde. En wat begon als een doekje voor het bloeden (“Muziek is de wiskunde die ik tenminste snap”), heeft in de loop van de tijd steeds meer inhoud gekregen. Allereerst natuurlijk het wonderlijke feit dat die georganiseerde combinaties van frequenties door ons herkend worden als muziek! Hoe kan dat toch? Maar ook de getalsmatige verhoudingen tussen tonen (intervallen), hoe die nét niet kloppen door die verdraaide ‘pythagorëische komma‘ (voor mij altijd een aanwijzing dat muziek uiteindelijk ook weer meer is dan wiskunde), de ideeën over de ‘harmonie der sferen‘. Maar even fascinerend vind ik hoe componisten in de loop van de eeuwen composities op die ideeën hebben gebaseerd. Neem bijvoorbeeld Bachs ‘Wohltemperierte Klavier’, waarin hij experimenteert met de pas ontdekte stemwijze die het mogelijk maakte zonder bijstemmen in alle toonsoorten te spelen, en dus tussen toonsoorten te wisselen. Om nog maar niet te spreken van Bachs slinkse manieren om getallensymboliek in zijn werken te versleutelen. Maar ook de compositietechnieken in de 20ste eeuw van Schönberg tot Boulez, die daarmee zochten naar een andere muzikale organisatie dan het ‘mooi klinken’ dat in de voorgaande eeuwen zo bepalend was geweest. En de laatste jaren volgen we de ontwikkeling van het betrekkelijk nieuwe ‘muziekcognitie’, aangevoerd door wetenschappers als Henkjan Honing, waarover in dit interview meer te lezen is.
Tegelijkertijd moeten we voorzichtig zijn met al te vanzelfsprekende en verleidelijke verbanden tussen wiskunde, natuurkunde en psychologie: de kosmos maakt muziek, Einstein speelde prachtig viool (not!), Bach was eigenlijk een wiskundige (not!!), en van klassieke muziek word je slimmer (not!!!); dit artikel plaatst een aantal zinnige kanttekeningen bij onze behoefte om getalsmatige en zelfs wiskundige verbanden te zien in het muzikale universum.
Maar wie toch wat wil begrijpen van de meer bèta-georiënteerde aspecten van het fenomeen muziek (of simpelweg geluid), kan nu voor een zacht prijsje het boekje ‘De wiskunde van muziek’ aanschaffen. Ik trof het aan bij de ramsj van de Nijmeegse ‘Dekker vd Vegt’, voor €9,95.
Superinteressant!

De wiskunde van muziek
Ritme, resonantie en harmonie
Javier Arbonés & Pablo Milrud
Uitgeverij Librero
€9,95

Recensie: Chopin, de biografie

Ik ben niet zo van de astrologie, maar als ik het aantal componisten dat rond de jaren ’10 van de 19de eeuw ter wereld kwam eens op een rijtje zet, dan zou ik bijna van mijn ongeloof vallen. Komt ie: 1803 Berlioz, 1809 Mendelssohn, 1810 Schumann en Chopin, 1811 Liszt, 1813 Wagner en Verdi. En met uitzondering van Verdi hebben ze elkaar ook allemaal in meer of mindere mate gekend, en zelfs goede vriendschappen onderhouden. Dat levert in deze biografie passages op die me sterk het gevoel geven dat ik erbij had willen zijn, desnoods als de spreekwoordelijke vlieg op de muur. Dat zou dan een muur geweest zijn van een van de vele luxueuze Parijse appartementen waar de soirées plaatsvonden die gefrequenteerd werden door toutes Paris. Liefst was ik aanwezig bij de in het boek beschreven avond bij Chopin zelf, waar onder anderen Liszt en zijn minnares Marie d’Agoult waren, Heinrich Heine, en natuurlijk de latere geliefde van Chopin, George Sand. De aanwezigen voerden politieke en filosofische discussies, waarvan de sigaren rokende en in mannenkleding gehulde Sand zich overigens verre hield (Chopin zou later benadrukken hoe onaantrekkelijk hij haar vond: “is dat wel een vrouw?”).
Maar later op de avond kropen Chopin en Liszt samen achter de piano om de aanwezigen te verbijsteren met hun spel…. (OMG!).
De auteur Zamoyski, zelf ook van Poolse afkomst, geeft uitgebreide beschrijvingen van de contacten en vriendschappen die Chopin en de zijnen onderhielden. De correspondenties leveren tal van citaten op die het beeld alleen nog maar van meer scherpte en kleur voorzien, en dat is geweldig om te lezen. De biografie concentreert zich daarmee wel vrijwel volledig op het verloop van Chopins persoonlijke en sociale leven, en veel minder op zijn muziek. Die komt zelfs nauwelijks echt aan bod, wat mij betreft nogal een gemis. Dat vraagt meteen om de kanttekening dat Chopin zelf ook niet echt meewerkte; hij heeft nauwelijks iets behulpzaams gezegd over zijn muziek of zijn manier van componeren, hooguit over de moeite die het hem vaak kostte om de muziek in zijn hoofd op papier te krijgen.
De auteur weet wel enige diepte te geven aan de bewering dat Chopins liefde voor Polen en de Poolse muziek altijd aanwezig is gebleven, ook al is hij na zijn twintigste nooit meer terug geweest in zijn vaderland. In dat licht krijgt ook de politieke situatie in Europa redelijk veel aandacht, waarbij hij zuiver beschrijft hoe Chopins muzikale nationalisme nauwelijks politiek was, maar veel meer persoonlijk. En daar zit ‘m voor mij dan toch de kracht van deze biografie; het is een gedetailleerde schets van een uiterst persoonlijk kunstenaar, die mij deed beseffen hoe uiterst persoonlijk ook Chopins muziek is. Alsof we nooit meer echt zullen weten hoe de préludes en nocturnes moeten klinken, omdat daar, in de Parijse salons, de oerversie alleen maar door de componist zelf ten gehore is gebracht.
Waren we maar een vlieg in een tijdmachientje.

Chopin, de biografie
Adam Zamoysky
Uitgeverij Balans
Amsterdam, 2009

Recensie: ‘Muziek onweerstaanbaar als de zee’

Ik was meteen onder de indruk van de schrijfstijl van Emanuel Overbeeke in deze biografie over Claude Debussy.  Hoewel het boek in grote lijnen de levensloop van Debussy volgt, van de wieg tot het graf zullen we maar zeggen, heb je nergens het gevoel gevangen te zitten in een vooral chronologisch perspectief. Dat doet Overbeeke vooral door deze chronologie knap te vermengen en te kleuren met andere perspectieven, net als in de impressionistische schilderkunst waar Debussy zo vaak mee verbonden wordt. (Laat het de man zelf niet horen, want Debussy bestreed zelf te vuur en te zwaard dat hij een impressionist zou zijn, om redenen die in deze biografie helder uitgelegd worden). Eén van die boeiende perspectieven die zich met de jaartallen vermengen zijn bijvoorbeeld de uitgebreide beschrijvingen van de ‘kringen’ waarin Debussy zich zo graag ophield, de soirees (Les Mardis) rond de dichter Mallarmé. Deze schilderen heel doeltreffend het decor van de tijd waarin Debussy leefde, maar komt door de kwaliteit van de beschrijving haast los te staan van de hoofdpersoon van het boek. Daarin zien we Debussy zich ontwikkelen van een zoekende (maar compromisloze) jongeman tot een componist die in de laatste fasen van zijn leven met grote en moeizaam verworven trefzekerheid werken componeerde die van ongelooflijk grote betekenis zijn gebleken voor de 20ste eeuwse muziek.
Maar ook de muziek zelf, en de afzonderlijke composities blijven niet onbelicht; op organische wijze maakt Overbeeke je bekend met Debussy’s taal en esthetiek, om de daaropvolgende hoofdstukken steeds af te sluiten met de bespreking van tal van werken die relevant zijn in het licht van de aspecten van Debussy’s leven en werk die in dat hoofdstuk aan de orde waren. Een mooi gecomponeerd boek dus.
Heb ik nog dingen gemist in ‘Muziek onweerstaanbaar als de zee’? Tuurlijk. We moeten het met wat afsluitende opmerkingen stellen waar het gaat om de enorme invloed die Debussy gehad heeft op de generaties na hem, en zelfs in de muziek van na te Tweede Wereldoorlog. Boulez, een van de weinigen die in dit opzicht wordt genoemd, getuigt daar regelmatig van. Enkele anderen worden wel genoemd, maar inhoudelijk en onderbouwd wordt het nergens. En wat te denken van de jazzmusici, zoals bijvoorbeeld Bill Evans, die zelf steeds beweerden zo door de Franse meester te zijn beïnvloed? Ik was toch wel benieuwd geweest naar de kijk van de schrijver hierop.
Maar al met al is ‘Onweerstaanbaar als de zee’ zeker het lezen waard!

‘Muziek onweerstaanbaar als de zee’
Emanuel Overbeeke
Uitgeverij In de walvis / Boekhandel Roelants
Nijmegen, 2012

Hier vindt je het boek bij Bol.com

Landons Mozart

Wolfgang Amadeus MozartWie zich in Wolfgang Amadeus Mozart wil verdiepen kan eigenlijk niet om het werk van H.C. Robbins Landon heen. Zijn belangrijkste Mozartbiografie (hij schreef nog wat aanvullende boekjes) draagt als titel simpelweg de naam van de componist, met als ondertitel ‘Volledig overzicht van zijn leven en werk’. Dat laatste is voor iedere biografie, hoe gedegen ook, een vrijpostig statement; er zullen altijd feiten blijven opduiken waardoor de inzichten aangaande leven en werk van iemand weer veranderen.
Verwacht geen roman. Verwacht geen geromantiseerd beeld van een componist die, wat levensloop en vooral levenseinde betreft, zeer tot de verbeelding spreekt. Mozart het wonderkind, Mozart de jolige jongen, Mozart die door vergiftiging voortijdig aan zijn einde kwam, Mozart die door duistere machinaties op zijn sterfbed nog zijn eigen requiem lag te componeren.
Het boek beschrijft in verschillende hoofdstukken aspecten die Mozarts leven vormden.

Het boek begint met een chronologisch overzicht van, gewoon in heldere kolommetjes, van de gebeurtenissen in Mozarts leven in relatie tot andere gebeurtenissen in de muziek, in de kunst en cultuur in het algemeen en politiek. Je krijgt mooi zicht op de (politieke) wereld waar Mozart en zijn tijdgenoten in verkeerden. Dan volgt een uitgebreide stamboom, een alfabetisch overzicht van mensen die Mozart kende, en waar hij professioneel en persoonlijk mee te maken had; wat een lijst!
Dan volgen uitgebreide beschrijvingen, essays eigenlijk, van de  plaats van kerk, staat en kunst in Mozarts tijd. Interessant om te lezen hoe het mecenaat werkte, en hoe dat juist toen veranderde door de invloed van de Verlichting.
Dan hoofdstukken getiteld ‘Mozart als mens’, ‘Mozarts opvattingen en kijk op de wereld’ en ‘bronnen voor leven en werk van Mozart’. De bijdragen van een schare specialistische auteurs diepen allerlei deelonderwerpen uit, zoals bijvoorbeeld ‘Mozart als uitvoerend kunstenaar’.
Het grootste deel van het boek is natuurlijk gewijd aan het composities van Mozart. Mozart heeft in alle genres gecomponeerd, en al die genres kom een voor een aan bod: opera’s symfonieën, concerten, kamermuziek, etc.
Tot slot nog een aantal hoofdstukken over de uitvoeringspraktijk in Mozarts tijd, meningen van tijdgenoten, de moeilijkheden omtrent het catalogiseren van zijn werken, en de invloed van Mozart op componisten na hem.
Ik som hier maar een paar thema’s op in dit uitgebreide boek, dat terecht een standaardwerk is geworden. Het bevat eindeloos veel aanknopingspunten voor verdere studie, waarvoor ik zou kunnen verwijzen naar een bescheidener boekje van dezelfde auteur: ‘1791, Mozarts laatste jaar’. Maar ook ‘Mozart in de Lage Landen’ van Jos van der Zanden, of de bloemlezing ‘Mozart in zijn brieven’ samengesteld door Lucas Bunge zijn de moeite waard.
Of gewoon naar zijn muziek luisteren natuurlijk!

Wie is er bang voor nieuwe klanken?

Ik ben altijd benieuwd naar iemands persoonlijke ervaringen met muziek, en iemands ontmoetingen met muzikale mensen. Zeker als die mensen muzikale grootheden zijn, die groot geworden zijn door hun bijzondere muzikale zoektochten, en die daardoor weer anderen tot grootsheid weten te brengen. De Duitse dirigent Ingo Metzmacher geniet inmiddels zelf bekendheid, zeker hier in Nederland vanwege zijn aanstelling als vaste dirigent van De Nederlandse Opera. Maar hij profileert zich ook als ambassadeur van 20ste eeuwse muziek, en daartoe schreef hij het boekje ‘Wie is er bang voor nieuwe klanken?, met als ondertitel Persoonlijke ontmoetingen met de muziek van de twintigste eeuw. En persoonlijk is het. Metzmacher leeft zich zelfs literair uit in poëtische taal, waarmee hij bijna op een muzikale manier uitdrukking geeft aan de ervaring van muziek. Nieuwsgierigheid, bewondering, fascinatie, schoonheid.. alles komt langs. Een willekeurige alinea, hier over het eerste deel van de eerste symfonie van Mahler:

“In het eerste deel komt alles bij elkaar wat tot dan toe gescheiden was: liedvorm, iets rondo-achtigs en sonate. Buiten de polyfonie der stemmen een veelstemmigheid van vormen. eenduidigheid bestaat niet meer. Je weet de weg niet meer. Ontbindingsverschijnselen. Het inleidende motief is voorzien van het bijschrift ‘Leb Wohl’, vaarwel: twee tonen, dalend, met een zware opmaat, zoals je het uitspreekt. Langzaam ontwikkelt zich daaruit een hartstochtelijke muziek, waarin nog één keer uiterst heftig de liefde voor het leven wordt bezongen, ongeremd, afkerig van het einde, brandend van pijn. Hartstochtelijk bieden de stemmen tegen elkaar op om maar gehoord te worden. Daartussen schaduwen, duisternis, voorgevoelens die zich maar geleidelijk herstellen, terug naar het innige, liefdevolle afscheid. Het deel speelt lang naar het einde. Steeds weer weerklinkt het ‘Leb wohl’, tot een lege, eenzame d overblijft.”

Dat is werkelijk heel mooi gezegd. Ik voel de poging van de auteur om de lezer mee te nemen in een muziekstuk, zoals datzelfde muziekstuk met de luisteraar zou doen. Daarin schuilt wat mij betreft ook wel een bezwaar. Als muziek je als luisteraar meeneemt, dan is de ervaring en de articulatie van die ervaring (als je daar al behoefte aan hebt!) toch hoe dan ook van jouzelf; de woordenloosheid geeft mij de ruimte mijn eigen woorden te vinden. En hoe mooi Metzmacher, hier en daar zelfs een beetje ijdel, de muziek beschrijft…. het zijn toch niet mijn woorden er voor. De poëzie legt hier en daar wel heel dwingende beelden op aan mijn verbeelding.
Ik kon wel genieten van de beschrijving van zijn contact met bijvoorbeeld Karlheinz Stockhausen en John Cage; Metzmacher brengt deze mensen tot leven, en tilt ze meteen ook boven de anekdotes uit, zodat hun grootsheid zich duidelijk aftekent. Mooi.
Het boekje is uiterst toegankelijk voor iedereen die geïnteresseerd is in de verschillende soorten muziek die de twintigste eeuw heeft voortgebracht, en kan meedeinen op de bloemrijke beschrijvingen van de schrijver.

Componisten van deze tijd

Waar de grote overzichten van de muziekgeschiedenis het een beetje laten afweten, daar pakt Griffiths’ Componisten van deze tijd het juist op. Met als ondertitel ‘Overzicht van de moderne muziek’ schreef hij een niet al te lijvig maar toch redelijk compleet boekje. Hoewel het al uit 1980 stamt, grijp ik er toch nog regelmatig naar; niet zo zeer voor specifieke informatie, maar meer om te grasduinen en me op ideeën te laten brengen.
Luisterideeën, cursusideeën.
Ik ben gek op informatie, maar raak pas echt geïnspireerd als die informatie geduid wordt, dat wil zeggen: als er creatief en prikkelend verband wordt gelegd tussen alle brokjes informatie. Pas dan ontstaat er een geheel dat niet alleen door een tijdbalk gedefinieerd wordt, maar eerder door causaliteit, of door menselijk streven, of zelfs door bizarre spelingen van het lot.
De informatiedichtheid in ‘Componisten van deze tijd’ is hoog, en verkent al deze verbanden, zonder in interpretatief moeras te verzanden. Griffith doorspekt de tekst met verwijzingen naar concrete werken en citaten van (meestal) componisten. Met leesbare vaart beschrijft hij stromingen en invloeden van de 20ste eeuwse muziek, beginnend bij de laatromantische erfenis, dan naar de eerste atonaliteit, neoclassicisme, serialisme, elektronica, aleatoire. Er is zelfs een hoofdstuk gewijd aan de Nederlandse muziek. Dit alles opgeleukt met afbeeldingen van componisten en handschriften. Achterin dan nog de bronvermeldingen, een uitgebreide discografie (leuk voor nieuwe luisterideeën),  en een heel compleet register die een gerichte zoektocht naar informatie wat makkelijker maken.
Alleen nog tweedehands verkrijgbaar, maar voor € 9,- erg de moeite waard.

De taal van muziek

Als je wat gedachten aangereikt wil krijgen over muziek als fenomeen, dan is ‘Welke taal spreekt de muziek?’ misschien een aanrader. Het boekje bevat muziekfilosofische beschouwingen van verschillende auteurs die allemaal hun sporen verdiend hebben op het terrein van filosofie, taalkunde, ontologie en praktische muziekbeoefening. De verzameling essays is samengesteld en geredigeerd door Erik Heijerman en Albert van der Schoot, die zich daarnaast ook inhoudelijk niet onbetuigd laten.

Het boek opent met de vraag die ook de titel is geworden: is muziek een taal? En zo ja, welke taal spreekt muziek dan? Filosoof, taalkundige en muziekwetenschapper Wouter van Haaften ontleedt op toegankelijke manier de problematische kanten die aan verschillende  stellingen kleven, gaat in op de betekenis van muziek, de communicatieve kwaliteiten van muziek (of het gebrek daaraan), onze menselijke emotionele respons op muziek en onze behoefte om muziek retorisch te duiden, waardoor we snel de vergelijking met een taal maken.

Het zou te ver voeren om de inhoud van alle hoofdstukken hier weer te geven. Vergelijkingen met andere kunstdisciplines worden gemaakt, de aard van muzikale verwijzingen naar buitenmuzikale onderwerpen wordt onderzocht, mogelijke definities van muziek worden tegen het licht gehouden, de visies van Plato, Kant en Scruton worden uitgelegd en bekritiseerd, de her-taling van de Mattheüs-Passion in het Nederlands wordt filosofisch bekeken op authenticiteit, en tot slot worden de metafysische aspecten van muziek in kaart gebracht. Niet voor niets het laatste hoofdstuk; het laat je als lezer achter met het gevoel een hoop meer geleerd, maar er steeds minder van begrepen te hebben.

In de Spiegel van zijn Tijd

Soms is onze plek in de geschiedenis niet erg benijdenswaardig. Je kunt als liefhebber van klassieke muziek, en als bewonderaar van de componisten die die muziek creëerden alleen maar terugblikken de geschiedenis in. Als we meer willen weten zijn we afhankelijk van biografieën, analyses en commentaren. Heel interessant, zeker als de biograaf of wetenschapper dingen weet te vertellen en verbanden weet te leggen waar je zelf nooit op had kunnen komen.
Citaten, ook in een biografie, zijn van onschatbare betekenis. Ze geven ons een (zo min mogelijk) gefilterd en geïnterpreteerd beeld van iemand; een soort observatie uit de eerste hand, die het zelfs zonder contextuele duiding zou kunnen stellen.
De boekjes van ‘In de Spiegel van zijn Tijd’ (uitgeverij J.H. Gottmer) bewijzen op die manier hun waarde. Ieder exemplaar is gewijd aan één componist, die min of meer chronologisch in beeld gebracht wordt aan de hand van citaten van tijdgenoten. Uitspraken van familie, vrienden en collega’s zijn bij elkaar geplaatst en geven de hoofdpersoon een diepte en detail die je op een andere manier niet bereikt. De samenstellers hebben zich redactioneel beperkt tot enige uitleg over de personen die aan het woord zijn, en welke relatie ze hadden tot de componist. Voor zover ik weet zijn ze te krijgen van Berlioz, Mahler, Debussy, Satie, Stravinsky en Gershwin.
Een prachtige aanvulling op grotere biografieën. De boeken in deze reeks zijn vaak tweedehands te krijgen voor rond de € 10,- per deel.

Grouts bijbel

Er zijn van die boeken die als een bijbel bij je blijven. In tijden van onzekerheid, wanneer de vragen op je afkomen, en een antwoord in nevelen gehuld blijft, dan grijp ik weer naar ‘Geschiedenis van de westerse muziek’ van Donald Jay Grout (1902 – 1987). Als een bijbel, inderdaad.

Goed, de pathetische toon terzijde, de ‘Geschiedenis van de westerse muziek’ is een zeer compleet werk over de historie van de klassieke muziek en al haar hoofdrolspelers. Het mooie ervan is dat het zich bijna laat lezen als een roman, omdat het je als lezer steeds van alinea naar alinea, van hoofdstuk naar hoofdstuk, van tijdperk naar tijdperk leidt. Daarbij worden zowel de grote historische ontwikkelingen zichtbaar, als ook de minieme bewegingen die samen opgesteld de geschiedenis vormen. En dat alles op een knappe en complete manier in begrijpelijk perspectief geplaatst.

Anders dan bij het XYZ der muziek van Casper Höweler bepaalde Grout niet bij testament dat zijn werk niet aangepast mocht worden. Dus is de Nederlandse vertaling aangevuld met alinea’s over muzikale ontwikkelingen in het Nederlandse taalgebied, perfect ingepast in de grote lijnen van het boek.

Het enige is dat de muziek van de 20ste eeuw er ook in dit boek wat bekaaid van af komt, met ‘slechts’ 77 pagina’s van de 837 in totaal. Het is mede te wijten aan het feit dat hoe recenter de muziek is, hoe moeilijker de grote lijnen nog te zien zijn, en dus ook het historisch belang te bepalen. Voor een meer diepgaande beschrijving en analyse van 20ste eeuwse muziek moeten we dus ons heil zoeken bij meer daarop gespecialiseerde boeken.

Dat neemt allemaal niet weg dat voor gedetailleerde informatie over klassieke muziek, en de verbanden tussen al die details Grouts bijbel een waardevolle aanschaf is.

XYZ der muziek

Nog steeds duikt Casper Höwelers ‘XYZ der muziek’ geregeld op. Veel mensen kennnen het boek als naslagwerk, waarbij de indruk weergegeven wordt dat het nog steeds onovertroffen en compleet is.
Dat het verre van compleet was, ontdekte ik al toen ik 15 jaar was; zelf lijdend aan enige tunnelvisie was ik vreselijk getroffen toen ik vergeefs zocht naar een lemma over Eric Satie. Ongelooflijk! Onvergeeflijk!
Ik heb het boek als fossiel in de kast gehouden, maar nooit meer serieus geraadpleegd.
Maar goed, een mening van zo’n 30 jaar oud kan wel eens een update gebruiken. Dus ik heb het welwillend ter hand genomen (nadat de titel weer eens door een cursist te berde werd gebracht, zelfs bij wijze van test of ik wel wist waar ik het over had…), en heb het weer eens doorgebladerd.
Ik ben in het bezit van een 17de druk uit 1980, de 34ste en laatste is van 1997; de uitgave stamt oorspronkelijk uit 1936. Het zou, gezien dat laatste jaartal, merkwaardig zijn als het niet gedateerd was.

Maar toch, welwillend of niet, vind ik het geen bevredigend boek. Niet alleen de keuze van de beschreven componisten is arbitrair, ook het aantal bladzijden dat vervolgens aan ze gewijd wordt verschilt op ondoorgrondelijke wijze. Ter illustratie: Beethoven krijgt 24 pagina’s terwijl Haydn het met een derde daarvan moet stellen, namelijk 8. Wagner krijgt er 24, Mozart 17, Prokofjef 1, Monteverdi 0,5, Ives 0. Wat?! Charles Ives nul pagina’s? Geen alinea? Geen letter! Wat ik ooit bij Satie al erg vond, kan dus nog veel erger.
Het vermoeden van buitensporige subjectiviteit begint zich op te dringen, zeker als ik bij Franck en Reger tot 8 pagina’s kan tellen, en Messiaen het moet doen een regel of 10, waarin bovendien te lezen staat dat ‘zijn muziek wel een persoonlijke indruk maakt, maar niet steeds overtuigt als schoonheid’.
Dat vind ik van Beethoven ook wel eens!
De persoonlijke ‘touch’ van Höweler wordt hier en daar gewaardeerd, maar ik vind die touch iets too much.

De opbouw van het boek is als die van een encyclopedie. Muzikale termen worden uitgelegd, waarbij de aandacht voor 97% naar klassieke muziek gaat, en de overige 3% ingeruimd is voor negro spirituals, ragtime, jazz; “deze muziek, beurtelings sterk onder- en overschat, heeft nu eenmaal voor onze tijd grote betekenis”, schrijft Höweler daarover in zijn voorwoord. Klinkt niet echt van harte, hoewel hij zelf toch ook nog een ander boek over negro spirituals (1970) heeft geschreven. Echter grote jazzmusici ontbreken weer totaal in het XYZ, terwijl een beschrijving van bijvoorbeeld Duke Ellington me dan heel terecht lijkt.
De beschrijvingen van romantische componisten hebben zoals gezegd de meeste ruimte gekregen. Iedere keer lees je een korte inleiding met wat gegevens over herkomst en levensloop, waarna een aantal belangrijke werken, of oeuvre-onderdelen, wordt beschreven. Daarover lees ik steeds lovende woorden bij andere lezers; die besprekingen van sleutelwerken zijn ‘diepgaand’. Ik kan me ook in die waardering niet vinden. De Mattheuspassion (ja, die van Bach) is een schrale en-toen-en-toen-opsomming, met heel summier musicologisch commentaar, en al helemaal geen contextuele plaatsing. En dat is exemplarisch voor alle andere besprekingen. Op die manier krijg ik geen enkele notie van de relevantie van de besproken werken; met andere woorden: waaróm worden ze hier besproken? Of is dat gedoodverfde voorkennis?
Er zijn inmiddels zoveel betere commentaren verkrijgbaar, die zoveel meer inzicht geven in componisten en hun verrichtingen, inclusief plaatsing in de geschiedenis en samenlevingen, samenhang met andere composities. De encyclopedische opzet beperkt de ruimte om grotere verbanden te beschrijven.

Het is vooral het feit dat het nog steeds als standaardwerk gezien wordt dat me er toe zet het boek eens kritisch te bekijken. Höweler heeft zelf bij zijn verscheiden bepaald dat er geen letter meer mocht worden aangepast, waarmee hij zijn werk bekwaam heeft verbannen naar het musicologisch museum. Uitgeverij Van Holkema & Warendorf zag dat ook in, en heeft Katja Reichenfeld en een team van muziekwetenschappers gevraagd een vernieuwde versie uit te brengen, in de geest van Höweler: ‘XYZ van de klassieke muziek’. Ik ken het niet, maar ik zal proberen er een exemplaar van te bemachtigen.
Als iemand mij vraagt boeken te noemen die informatie en inzicht geven in de muziekgeschiedenis, dan raad ik zonder omhaal ‘Geschiedenis van de westerse muziek’ aan, van Donald J. Grout. Een boek van bijbelse omvang (en dat bedoel ik niet slechts letterlijk). Voor een meer encyclopedisch overzizcht van componisten (duizenden!) is ‘Componistenlexicon’ van Theo Willemze meer dan behulpzaam.
Zo, dan kan Casper Höweler weer de kast in.