De taal van muziek

Als je wat gedachten aangereikt wil krijgen over muziek als fenomeen, dan is ‘Welke taal spreekt de muziek?’ misschien een aanrader. Het boekje bevat muziekfilosofische beschouwingen van verschillende auteurs die allemaal hun sporen verdiend hebben op het terrein van filosofie, taalkunde, ontologie en praktische muziekbeoefening. De verzameling essays is samengesteld en geredigeerd door Erik Heijerman en Albert van der Schoot, die zich daarnaast ook inhoudelijk niet onbetuigd laten.

Het boek opent met de vraag die ook de titel is geworden: is muziek een taal? En zo ja, welke taal spreekt muziek dan? Filosoof, taalkundige en muziekwetenschapper Wouter van Haaften ontleedt op toegankelijke manier de problematische kanten die aan verschillende  stellingen kleven, gaat in op de betekenis van muziek, de communicatieve kwaliteiten van muziek (of het gebrek daaraan), onze menselijke emotionele respons op muziek en onze behoefte om muziek retorisch te duiden, waardoor we snel de vergelijking met een taal maken.

Het zou te ver voeren om de inhoud van alle hoofdstukken hier weer te geven. Vergelijkingen met andere kunstdisciplines worden gemaakt, de aard van muzikale verwijzingen naar buitenmuzikale onderwerpen wordt onderzocht, mogelijke definities van muziek worden tegen het licht gehouden, de visies van Plato, Kant en Scruton worden uitgelegd en bekritiseerd, de her-taling van de Mattheüs-Passion in het Nederlands wordt filosofisch bekeken op authenticiteit, en tot slot worden de metafysische aspecten van muziek in kaart gebracht. Niet voor niets het laatste hoofdstuk; het laat je als lezer achter met het gevoel een hoop meer geleerd, maar er steeds minder van begrepen te hebben.

In de Spiegel van zijn Tijd

Soms is onze plek in de geschiedenis niet erg benijdenswaardig. Je kunt als liefhebber van klassieke muziek, en als bewonderaar van de componisten die die muziek creëerden alleen maar terugblikken de geschiedenis in. Als we meer willen weten zijn we afhankelijk van biografieën, analyses en commentaren. Heel interessant, zeker als de biograaf of wetenschapper dingen weet te vertellen en verbanden weet te leggen waar je zelf nooit op had kunnen komen.
Citaten, ook in een biografie, zijn van onschatbare betekenis. Ze geven ons een (zo min mogelijk) gefilterd en geïnterpreteerd beeld van iemand; een soort observatie uit de eerste hand, die het zelfs zonder contextuele duiding zou kunnen stellen.
De boekjes van ‘In de Spiegel van zijn Tijd’ (uitgeverij J.H. Gottmer) bewijzen op die manier hun waarde. Ieder exemplaar is gewijd aan één componist, die min of meer chronologisch in beeld gebracht wordt aan de hand van citaten van tijdgenoten. Uitspraken van familie, vrienden en collega’s zijn bij elkaar geplaatst en geven de hoofdpersoon een diepte en detail die je op een andere manier niet bereikt. De samenstellers hebben zich redactioneel beperkt tot enige uitleg over de personen die aan het woord zijn, en welke relatie ze hadden tot de componist. Voor zover ik weet zijn ze te krijgen van Berlioz, Mahler, Debussy, Satie, Stravinsky en Gershwin.
Een prachtige aanvulling op grotere biografieën. De boeken in deze reeks zijn vaak tweedehands te krijgen voor rond de € 10,- per deel.

Experiment

Zo’n luistercursus is erg leuk, maar aan één belangrijk onderdeel kom je eigenlijk niet toe: muziek luisteren. Natuurlijk laat ik allerlei fragmenten horen, maar als ik er al niet doorheen klets om de cursisten nog ergens extra op te wijzen, dan geef ik toch voor- en achteraf veel informatie erbij. Daar is zo’n cursus ook uitdrukkelijk voor bedoeld, maar de onbevangen luisterhouding is daarmee wel in het geding.

Daarom bedacht ik het volgende cursusonderdeel. Ik geef iedere cursist een CDtje mee naar huis, met daarop één (hoogstwaarschijnlijk) onbekend stuk muziek van ongeveer 5 minuten. De cursist weet niet waar hij naar luistert. De vraag is om dat 1 x per dag te luisteren, met onverdeelde aandacht. Niet vaker als je ‘t mooi vind, niet minder vaak als je ‘t lelijk vindt.
Niet zelden worden onze oordelen over wat we wel en niet mooi vinden gevormd op basis van één keer luisteren; als we er niet direct iets (herkenbaars) in horen luisteren we het namelijk niet nog een keer. Tenminste niet vrijwillig. Terwijl veel muziek ook een kwestie van ‘acquired taste’ is, waar je pas na meerdere keren luisteren affiniteit mee ontwikkelt.
De lengte van 5 minuten is lang genoeg om wat te laten gebeuren: lang genoeg om het stuk pas na een paar keer luisteren te overzien, lang genoeg om iedere keer weer nieuwe dingen te ontdekken, lang genoeg om even voor te gaan zitten. Maar ook kort genoeg om dagelijks in te kunnen passen, en kort genoeg om niet te zeer een opgave te worden als je het stuk niets vindt.
Ik ben benieuwd wat de ervaringen worden. Of ze grote verschillen gaan merken in beleving op de eerste en laatste dag. Of het uitmaakt in welke stemming je luistert. Wat de onverdeelde aandacht teweegbrengt. Nu nog een goeie manier bedenken om dat in de loop van de twee weken bij te houden, zonder dat het te schools wordt.

Downloads beschikbaar

20131020-213127.jpg

Dus… bij die cursussen komt heel wat materiaal voorbij. Tijdens de voorbereidingen, als resultaat van schrijfwerk, hand-outs, bladmuziek, interessante achtergrondartikelen.. Ik zet ze (deels) online, dan kunnen cursisten ze daar bekijken, downloaden. En anderen ook, als ze belangstelling hebben.
Het is allemaal zoveel mogelijk in PDF-formaat.

Klik hier om de downloads te bekijken.

Grouts bijbel

Er zijn van die boeken die als een bijbel bij je blijven. In tijden van onzekerheid, wanneer de vragen op je afkomen, en een antwoord in nevelen gehuld blijft, dan grijp ik weer naar ‘Geschiedenis van de westerse muziek’ van Donald Jay Grout (1902 – 1987). Als een bijbel, inderdaad.

Goed, de pathetische toon terzijde, de ‘Geschiedenis van de westerse muziek’ is een zeer compleet werk over de historie van de klassieke muziek en al haar hoofdrolspelers. Het mooie ervan is dat het zich bijna laat lezen als een roman, omdat het je als lezer steeds van alinea naar alinea, van hoofdstuk naar hoofdstuk, van tijdperk naar tijdperk leidt. Daarbij worden zowel de grote historische ontwikkelingen zichtbaar, als ook de minieme bewegingen die samen opgesteld de geschiedenis vormen. En dat alles op een knappe en complete manier in begrijpelijk perspectief geplaatst.

Anders dan bij het XYZ der muziek van Casper Höweler bepaalde Grout niet bij testament dat zijn werk niet aangepast mocht worden. Dus is de Nederlandse vertaling aangevuld met alinea’s over muzikale ontwikkelingen in het Nederlandse taalgebied, perfect ingepast in de grote lijnen van het boek.

Het enige is dat de muziek van de 20ste eeuw er ook in dit boek wat bekaaid van af komt, met ‘slechts’ 77 pagina’s van de 837 in totaal. Het is mede te wijten aan het feit dat hoe recenter de muziek is, hoe moeilijker de grote lijnen nog te zien zijn, en dus ook het historisch belang te bepalen. Voor een meer diepgaande beschrijving en analyse van 20ste eeuwse muziek moeten we dus ons heil zoeken bij meer daarop gespecialiseerde boeken.

Dat neemt allemaal niet weg dat voor gedetailleerde informatie over klassieke muziek, en de verbanden tussen al die details Grouts bijbel een waardevolle aanschaf is.

Cursusavond #2

20131201-161059.jpgAlweer de tweede avond van mijn 8-delige cursus ’10 Eeuwen Muziek’ achter de rug. Een groep van 15 geïnteresseerden, mooie club. Het zaaltje is prachtig, inclusief enorm scherm waarop mijn prezi-presentatie er cool uitziet.

Na de verkennende inleiding van de eerste keer gingen we verder met ‘Ter meerdere eer en glorie’, over religieuze muziek. En om dan met Messiaens ‘Trois Petites Liturgies‘ te kunnen beginnen…. zo mooi!
Voorts via Gregoriaans ‘Rorate Coeli’, als origineel, als introît van Machauts ‘Messe de Nostre Dame’ en verwerkt in Liszts oratorium ‘Christus’, naar Bach en Goebaidulina. Precies binnen de tijd!

XYZ der muziek

Nog steeds duikt Casper Höwelers ‘XYZ der muziek’ geregeld op. Veel mensen kennnen het boek als naslagwerk, waarbij de indruk weergegeven wordt dat het nog steeds onovertroffen en compleet is.
Dat het verre van compleet was, ontdekte ik al toen ik 15 jaar was; zelf lijdend aan enige tunnelvisie was ik vreselijk getroffen toen ik vergeefs zocht naar een lemma over Eric Satie. Ongelooflijk! Onvergeeflijk!
Ik heb het boek als fossiel in de kast gehouden, maar nooit meer serieus geraadpleegd.
Maar goed, een mening van zo’n 30 jaar oud kan wel eens een update gebruiken. Dus ik heb het welwillend ter hand genomen (nadat de titel weer eens door een cursist te berde werd gebracht, zelfs bij wijze van test of ik wel wist waar ik het over had…), en heb het weer eens doorgebladerd.
Ik ben in het bezit van een 17de druk uit 1980, de 34ste en laatste is van 1997; de uitgave stamt oorspronkelijk uit 1936. Het zou, gezien dat laatste jaartal, merkwaardig zijn als het niet gedateerd was.

Maar toch, welwillend of niet, vind ik het geen bevredigend boek. Niet alleen de keuze van de beschreven componisten is arbitrair, ook het aantal bladzijden dat vervolgens aan ze gewijd wordt verschilt op ondoorgrondelijke wijze. Ter illustratie: Beethoven krijgt 24 pagina’s terwijl Haydn het met een derde daarvan moet stellen, namelijk 8. Wagner krijgt er 24, Mozart 17, Prokofjef 1, Monteverdi 0,5, Ives 0. Wat?! Charles Ives nul pagina’s? Geen alinea? Geen letter! Wat ik ooit bij Satie al erg vond, kan dus nog veel erger.
Het vermoeden van buitensporige subjectiviteit begint zich op te dringen, zeker als ik bij Franck en Reger tot 8 pagina’s kan tellen, en Messiaen het moet doen een regel of 10, waarin bovendien te lezen staat dat ‘zijn muziek wel een persoonlijke indruk maakt, maar niet steeds overtuigt als schoonheid’.
Dat vind ik van Beethoven ook wel eens!
De persoonlijke ‘touch’ van Höweler wordt hier en daar gewaardeerd, maar ik vind die touch iets too much.

De opbouw van het boek is als die van een encyclopedie. Muzikale termen worden uitgelegd, waarbij de aandacht voor 97% naar klassieke muziek gaat, en de overige 3% ingeruimd is voor negro spirituals, ragtime, jazz; “deze muziek, beurtelings sterk onder- en overschat, heeft nu eenmaal voor onze tijd grote betekenis”, schrijft Höweler daarover in zijn voorwoord. Klinkt niet echt van harte, hoewel hij zelf toch ook nog een ander boek over negro spirituals (1970) heeft geschreven. Echter grote jazzmusici ontbreken weer totaal in het XYZ, terwijl een beschrijving van bijvoorbeeld Duke Ellington me dan heel terecht lijkt.
De beschrijvingen van romantische componisten hebben zoals gezegd de meeste ruimte gekregen. Iedere keer lees je een korte inleiding met wat gegevens over herkomst en levensloop, waarna een aantal belangrijke werken, of oeuvre-onderdelen, wordt beschreven. Daarover lees ik steeds lovende woorden bij andere lezers; die besprekingen van sleutelwerken zijn ‘diepgaand’. Ik kan me ook in die waardering niet vinden. De Mattheuspassion (ja, die van Bach) is een schrale en-toen-en-toen-opsomming, met heel summier musicologisch commentaar, en al helemaal geen contextuele plaatsing. En dat is exemplarisch voor alle andere besprekingen. Op die manier krijg ik geen enkele notie van de relevantie van de besproken werken; met andere woorden: waaróm worden ze hier besproken? Of is dat gedoodverfde voorkennis?
Er zijn inmiddels zoveel betere commentaren verkrijgbaar, die zoveel meer inzicht geven in componisten en hun verrichtingen, inclusief plaatsing in de geschiedenis en samenlevingen, samenhang met andere composities. De encyclopedische opzet beperkt de ruimte om grotere verbanden te beschrijven.

Het is vooral het feit dat het nog steeds als standaardwerk gezien wordt dat me er toe zet het boek eens kritisch te bekijken. Höweler heeft zelf bij zijn verscheiden bepaald dat er geen letter meer mocht worden aangepast, waarmee hij zijn werk bekwaam heeft verbannen naar het musicologisch museum. Uitgeverij Van Holkema & Warendorf zag dat ook in, en heeft Katja Reichenfeld en een team van muziekwetenschappers gevraagd een vernieuwde versie uit te brengen, in de geest van Höweler: ‘XYZ van de klassieke muziek’. Ik ken het niet, maar ik zal proberen er een exemplaar van te bemachtigen.
Als iemand mij vraagt boeken te noemen die informatie en inzicht geven in de muziekgeschiedenis, dan raad ik zonder omhaal ‘Geschiedenis van de westerse muziek’ aan, van Donald J. Grout. Een boek van bijbelse omvang (en dat bedoel ik niet slechts letterlijk). Voor een meer encyclopedisch overzizcht van componisten (duizenden!) is ‘Componistenlexicon’ van Theo Willemze meer dan behulpzaam.
Zo, dan kan Casper Höweler weer de kast in.

Begraven

Ik heb dus veel gelopen deze dagen. Ik kon Wenen het beste bekijken in mijn looptempo, met m’n iPhone in de hand voor de navigatie.
Hier, op het Zentralfriedhof, ligt een aantal componisten bijelkaar. Of ze dit prettig gevonden zouden hebben weten we niet meer. Alleen van Schubert; hij had gezegd dat hij naast Beethoven begraven wilde worden. Hun sterfdata bleken uiteindelijk maar anderhalf jaar van elkaar verwijderd.
De foto’s van de graven (op volgorde): Schubert, Beethoven, Brahms, Johann Strauss, Wolf, Josef Strauss, Vater Strauss, Von Suppé, Gluck, Czerny. Schönberg moet er ook liggen, ergens anders op de immense begraafplaats, maar ik kon hem niet vinden. Het werd donker, het Friedhof zou snel gaan sluiten. Tijd om te gaan, helaas.

20130928-233824.jpg

20130928-233854.jpg

20130928-233920.jpg

20130928-233937.jpg

20130928-233953.jpg

20130928-234008.jpg

20130928-234023.jpg

20130928-234040.jpg

20130928-234055.jpg

20130928-234123.jpg

Haydn revisited

In het centrum van Wenen kun je dit uurwerk bekijken. Het is geen standaard klok, rond met wijzers. Het is meer een soort poppenkast. Figuren uit de Oostenrijkse geschiedenis trekken aan je voorbij, één figuur per uur. Dat gaat tamelijk langzaam. Maar als je de moeite neemt om precies op het middaguur te zijn, dan zie je er één per minuut, en dan hoor je nog allerlei betekenisvolle orgelmuziek erbij.
De laatste figuur is Haydn, met een viool in de hand sjokt ie achter keizerin Maria Theresa aan. De muziek die bij zijn figuur klinkt is dus ook van hem.

20130928-202534.jpg